loader image

Gratis verzending boven de €75

Voor 12:00 besteld, vandaag verzonden

Vragen? Neem contact op

Geschiedenis

1839

Storm

De Noordzee is één van de ruigste zeeën ter wereld. Er woedt een flinke storm die nacht.
Metershoge golven moeten er hebben gestaan. Pieter Sipkes Cupido, (geboren op Terschelling in 1805) is al vroeg in de veren, want na zo’n storm spoelt er altijd wel wat aan op het strand. Met paard en wagen rijdt Pieter over het strand langs de noordzeekust op zoek naar iets van waarde, en ja hoor! Een houten vat! Daar moet wijn in zitten denkt Pieter bij zichzelf, of misschien nog wel beter, Rum!
Pieter haast zich van zijn wagen en duwt het vat richting de duinen. Het is een ongeschreven regel onder strandjutters dat wat je vindt van jou is wanneer je het over de duinen wal hebt gebracht.

Wanneer hij met al zijn kracht het vat over de duinen heeft gerold zet hij het vat neer met de stop naar boven. Met wat gereedschap,wat hij altijd op zijn kar heeft, maakt hij de stop los uit het vat en zet zijn neus aan het werk. Geen geur van wijn en ook geen geur van sterke drank. Hij besluit het vat iets te kantelen om de inhoud er uit te kunnen laten, en tot zijn verbazing komen er kleine rode besjes uit rollen.

Enigszins teleurgesteld besluit hij toch maar een besje te proeven. “jeetje wat een zure besjes”. Uit boosheid geeft hij het vat een flinke schop met zijn klomp. Al was zijn klomp figuurlijk al gebroken, nu moest het vat het ontgelden. Na een ferme trap valt het vat uit elkaar en rollen de besjes uit het vat de duinen in.

Maar wat deden die besjes nou in dat vat? Het vat is hoogstwaarschijnlijk van boord gevallen van een Amerikaans of Canadees schip wat boven de waddeneilanden voer. Daar werden de cranberries al actief geteeld. Schepen namen vaten vol met deze besjes mee omdat ze boordevol vitamine-c en antioxidanten zitten. Omdat ze lang houdbaar zijn waren ze uiterst geschikt om mee te houden aan boord. Ieder bemanningslid kreeg elke dag een handje met cranberries, zo bleven ze gezond en voorkwamen ze typische scheeps ziektes zoals scheurbuik.

1868

Franciscus Holkema

Botanicus Holkema deed als student onderzoek naar plantengroei op de toen nog Noordzee-Eilanden. De wadden eilanden kregen hun huidige naam namelijk pas na het voltooien van de afsluitdijk in 1927. De jonge Franciscus reisde alle waddeneilanden af gewapend met pen, papier en een nieuwsgierig oog. Met 25 medestudenten struinden ze elke hoek van het eiland af. En daar vonden ze midden in de heidevelden de Vaccinium Macro Carpon, anders gezegd de Amerikaanse Cranberry. Hij meldde de vondst van deze van oorsprong Amerikaanse plantensoort als “de schoone nieuwelinge in de Europese flora”
Omdat Fransiscus en zijn mede-studenten de cranberries daar ontdekten heet het deel van de heide op Terschelling nog altijd: “De Studentenplak”.

Aanvankelijk moesten de Terschellingers niks van de Cranberries hebben. Wat de boer niet kent, eet ie niet. De cranberries werden dus met rust gelaten door de eilanders. Het heidegebied van Terschelling bleek de perfecte omstandigheden te hebben om de bes te laten uitbreiden. Een kalkloze, zure en vochtige grond met wisselende waterstand deed de cranberry struik uitwaaieren over grote gebieden op het eiland.
1885

De kweker uit Drenthe

De Drenthse kweker G.J. Borgesius uit Musselkanaal had vernomen dat er op Terschelling een uitheemse cranberry soort groeide. Toen hij aankwam op het eiland vroeg hij de Terschellingers naar de cranberryvelden. Na een bezoekje aan het gemeentehuis met de vraag of hij wat stekjes van de struik mocht meenemen ging hij met goedkeuring van de gemeente en de tips van de eilanders op zoek. Hij nam een paar stekjes mee terug naar Drenthe en begon een cranberrykweek in Bovensmilde die tot 1935 in stand werd gehouden. De eilanders die Borgesius hadden getroffen en gesproken waren toch enigszins nieuwsgierig geraakt. “Wat moet die heer Borgesius toch met die zure besjes”

1886

Ondernemersgeest

In de periode na 1886 beginnen de Terschellingers kansen te zien in de cranberries. Ondernemend als ze zijn onderzoeken ze hoe ze gebruik kunnen maken van de uitheemse bes. De heren Wirchers en Mulder bevorderen de pluk van de bes. In nederland is er geen grote afzet van de bessen maar in Engeland willen ze de bessen maar al te graag kopen van de Terschellingers. Mede door vaste handelsroutes die de nederlanders hebben met Engeland kunnen de bessen in grote ladingen verscheept worden naar de Londense markt. Een lucratieve handel voor de pachters tot 1909, daarna vallen de velden weer in de handen van staatsbosbeheer.

1910

De bessenschuur

Midden op de heide te midden van alle cranberryvelden wordt de bessenschuur gebouwd. Hier worden de verse cranberries heen gebracht door de plukkers. In deze schuur worden de cranberries in bakken met roosters gelegd. In de buitenwanden van de schuur zitten luiken waardoor de zeewind door de schuur kan waaien om de bessen te drogen zodat ze gereed zijn voor transport.

Later werd een nieuwe bessenschuur gebouwd. Het witte karakteristieke gebouw waar u ons vandaag de dag ook nog kunt bezoeken!

1936

Verzadigde markt

In het jaar 1936 wordt de concurrentie van de Amerikanen te sterk voor de Terschellingers. De Amerikanen, met veel onderlinge concurrentie, drukken de prijzen naar beneden voor de Londense markt en al snel kunnen de Terschellingers niet meer concurreren tegen die te gekke lage prijzen. Er wordt gezocht naar nieuwe afzetgebieden, in Nederland maar ook in Frankrijk en Zwitserland.

1940-1945

Tweede Wereldoorlog

Terschelling was een belangrijke positie voor de Duitsers, het eiland wordt volgebouwd met bunkers die onderdeel uitmaken van de verdedigingslinie; de Atlantik Wall. De duingebieden worden “Sperrgebiet” en daarmee niet toegankelijk voor de burgers van het eiland. Er worden in die jaren nauwelijks cranberries geplukt. Na de bevrijding van Nederland was er een groot tekort aan voedsel. Vanaf dat moment konden de Terschellingers de volledige oogst kwijt in Nederland. De bessen bleken bij vele Nederlanders, voor wie de bes nog onbekend was, goed in de smaak te vallen. Sindsdien kunnen de Terschellingers elke oogst kwijt in eigen land.

De cranberryvelden worden optimaal gebruikt. De velden worden door Staatsbosbeheer verpacht aan verschillende ondernemers die het aandurfden om handel te drijven met “Het Rode Goud.” Makkelijk was het niet, er zijn in deze periode wel 6 pachters gekomen en gegaan.

1839

Storm

De Noordzee is één van de ruigste zeeën ter wereld. Er woedt een flinke storm die nacht.
Metershoge golven moeten er hebben gestaan. Pieter Sipkes Cupido, (geboren op Terschelling in 1805) is al vroeg in de veren, want na zo’n storm spoelt er altijd wel wat aan op het strand. Met paard en wagen rijdt Pieter over het strand langs de noordzeekust op zoek naar iets van waarde, en ja hoor! Een houten vat! Daar moet wijn in zitten denkt Pieter bij zichzelf, of misschien nog wel beter, Rum!
Pieter haast zich van zijn wagen en duwt het vat richting de duinen. Het is een ongeschreven regel onder strandjutters dat wat je vindt van jou is wanneer je het over de duinen wal hebt gebracht.

Wanneer hij met al zijn kracht het vat over de duinen heeft gerold zet hij het vat neer met de stop naar boven. Met wat gereedschap,wat hij altijd op zijn kar heeft, maakt hij de stop los uit het vat en zet zijn neus aan het werk. Geen geur van wijn en ook geen geur van sterke drank. Hij besluit het vat iets te kantelen om de inhoud er uit te kunnen laten, en tot zijn verbazing komen er kleine rode besjes uit rollen.

Enigszins teleurgesteld besluit hij toch maar een besje te proeven. “jeetje wat een zure besjes”. Uit boosheid geeft hij het vat een flinke schop met zijn klomp. Al was zijn klomp figuurlijk al gebroken, nu moest het vat het ontgelden. Na een ferme trap valt het vat uit elkaar en rollen de besjes uit het vat de duinen in.

Maar wat deden die besjes nou in dat vat? Het vat is hoogstwaarschijnlijk van boord gevallen van een Amerikaans of Canadees schip wat boven de waddeneilanden voer. Daar werden de cranberries al actief geteeld. Schepen namen vaten vol met deze besjes mee omdat ze boordevol vitamine-c en antioxidanten zitten. Omdat ze lang houdbaar zijn waren ze uiterst geschikt om mee te houden aan boord. Ieder bemanningslid kreeg elke dag een handje met cranberries, zo bleven ze gezond en voorkwamen ze typische scheeps ziektes zoals scheurbuik.

1868

Franciscus Holkema

Botanicus Holkema deed als student onderzoek naar plantengroei op de toen nog Noordzee-Eilanden. De wadden eilanden kregen hun huidige naam namelijk pas na het voltooien van de afsluitdijk in 1927. De jonge Franciscus reisde alle waddeneilanden af gewapend met pen, papier en een nieuwsgierig oog. Met 25 medestudenten struinden ze elke hoek van het eiland af. En daar vonden ze midden in de heidevelden de Vaccinium Macro Carpon, anders gezegd de Amerikaanse Cranberry. Hij meldde de vondst van deze van oorsprong Amerikaanse plantensoort als “de schoone nieuwelinge in de Europese flora”.Omdat Fransiscus en zijn mede-studenten de cranberries daar ontdekten heet het deel van de heide op Terschelling nog altijd: “De Studentenplak”.

Aanvankelijk moesten de Terschellingers niks van de Cranberries hebben. Wat de boer niet kent, eet ie niet. De cranberries werden dus met rust gelaten door de eilanders. Het heidegebied van Terschelling bleek de perfecte omstandigheden te hebben om de bes te laten uitbreiden. Een kalkloze, zure en vochtige grond met wisselende waterstand deed de cranberry struik uitwaaieren over grote gebieden op het eiland.
1885

De kweker uit Drenthe

De Drenthse kweker G.J. Borgesius uit Musselkanaal had vernomen dat er op Terschelling een uitheemse cranberry soort groeide. Toen hij aankwam op het eiland vroeg hij de Terschellingers naar de cranberryvelden. Na een bezoekje aan het gemeentehuis met de vraag of hij wat stekjes van de struik mocht meenemen ging hij met goedkeuring van de gemeente en de tips van de eilanders op zoek. Hij nam een paar stekjes mee terug naar Drenthe en begon een cranberrykweek in Bovensmilde die tot 1935 in stand werd gehouden. De eilanders die Borgesius hadden getroffen en gesproken waren toch enigszins nieuwsgierig geraakt. “Wat moet die heer Borgesius toch met die zure besjes”

1886

Ondernemersgeest

In de periode na 1886 beginnen de Terschellingers kansen te zien in de cranberries. Ondernemend als ze zijn onderzoeken ze hoe ze gebruik kunnen maken van de uitheemse bes. De heren Wirchers en Mulder bevorderen de pluk van de bes. In nederland is er geen grote afzet van de bessen maar in Engeland willen ze de bessen maar al te graag kopen van de Terschellingers. Mede door vaste handelsroutes die de nederlanders hebben met Engeland kunnen de bessen in grote ladingen verscheept worden naar de Londense markt. Een lucratieve handel voor de pachters tot 1909, daarna vallen de velden weer in de handen van staatsbosbeheer.

1910

De bessenschuur

Midden op de heide te midden van alle cranberryvelden wordt de bessenschuur gebouwd. Hier worden de verse cranberries heen gebracht door de plukkers. In deze schuur worden de cranberries in bakken met roosters gelegd. In de buitenwanden van de schuur zitten luiken waardoor de zeewind door de schuur kan waaien om de bessen te drogen zodat ze gereed zijn voor transport.

Later werd een nieuwe bessenschuur gebouwd. Het witte karakteristieke gebouw waar u ons vandaag de dag ook nog kunt bezoeken!

1936

Verzadigde markt

In het jaar 1936 wordt de concurrentie van de Amerikanen te sterk voor de Terschellingers. De Amerikanen, met veel onderlinge concurrentie, drukken de prijzen naar beneden voor de Londense markt en al snel kunnen de Terschellingers niet meer concurreren tegen die te gekke lage prijzen. Er wordt gezocht naar nieuwe afzetgebieden, in Nederland maar ook in Frankrijk en Zwitserland.

1940-1945

Tweede Wereldoorlog

Terschelling was een belangrijke positie voor de Duitsers, het eiland wordt volgebouwd met bunkers die onderdeel uitmaken van de verdedigingslinie; de Atlantik Wall. De duingebieden worden “Sperrgebiet” en daarmee niet toegankelijk voor de burgers van het eiland. Er worden in die jaren nauwelijks cranberries geplukt. Na de bevrijding van Nederland was er een groot tekort aan voedsel. Vanaf dat moment konden de Terschellingers de volledige oogst kwijt in Nederland. De bessen bleken bij vele Nederlanders, voor wie de bes nog onbekend was, goed in de smaak te vallen. Sindsdien kunnen de Terschellingers elke oogst kwijt in eigen land.

1945 tot heden

De cranberryvelden worden optimaal gebruikt. De velden worden door Staatsbosbeheer verpacht aan verschillende ondernemers die het aandurfden om handel te drijven met “Het Rode Goud.” Makkelijk was het niet, er zijn in deze periode wel 6 pachters gekomen en gegaan.